Voorafgaande de bouw van Buur&Berg werd er een archeologische opgraving uitgevoerd in twee fasen tussen september 2023 en maart 2024. Gedurende 38 werkdagen werden omvangrijke grondsporen & muurresten aangetroffen die mogelijk dateren vanaf de oprichting van het Zusterklooster Hiëronymusdal in 1396. Het grootste deel van dat klooster werd afgebroken in de jaren ’70 van de 20ste eeuw voor de bouw van het Sint-Anna ziekenhuis. Wel werden verschillende (ontginnings)kuilen aangetroffen waarin vondsten werden aangetroffen die dateren uit de overgang van de middeleeuwen naar de nieuwe tijd (15de - 16de eeuw). De hoeveelheid vondsten uit ceramiek, maar voornamelijk de omvang van de aangetroffen kookvormen wijst erop dat dit geen gewone huisraad was, maar thuishoort bij een grotere gemeenschap zoals een klooster waar voor een grote groep mensen eten moest klaargemaakt worden. Dat het gaat om een religieuze gemeenschap komt regelmatig tot uiting in de vorm van duidelijk religieuze voorwerpen zoals de mal van een zegel met de geboorte van Christus, een fragment steengoed aardewerk waarop ‘Maria met kind’ afgebeeld staat en een schaaltje dat mogelijk werd gebruikt om te dopen. Dierlijke resten die werden aangetroffen in de afval- en ontginningskuilen wijzen erop dat de kloosterlingen o.a. oester, mossel, vis, varken, rund & kip aten. Om zich te voorzien van water werden minstens 8 waterputten aangetroffen die doorheen de tijd werden gegraven en gebruikt. Hoewel de Cicindriabeek nabij gelegen was, was dit geen veilige bron van water.
Tussen de resten werd een grafsteen aangetroffen van Pastoor Bodson. Deze was tussen 1704 en 1732 pastoor van Zepperen. Mogelijk is hij na zijn functie als pastoor naar het klooster van Hiëronymusdal getrokken als rector of zielenzorg-priester tot aan zijn door in 1741. Dit kan verklaren waarom een grafsteen van een pastoor van Zepperen in Sint-Truiden terecht komt, terwijl hij al 10 jaar daar geen pastoor meer was.
Verder werden ook de resten van het huis “Op ten Steenaert” werden aangetroffen. Dit huis werd door enkele zusters betrokken die zich toelegden op ziekenverpleging. De zusters waren vanaf 1614 verbonden aan de Reguliere Kanunnikessen van de Augustijnerorde. Ze kregen toelating om een kapel te bouwen en om hun eigen kerkhof aan te leggen. Beide werden tijdens de opgraving dan ook effectief aangetroffen. De kapel (die reeds op de kaart van Villaret uit 1745 stond) had eerder een noord-zuid tot noordoost-zuidwest oriëntatie, wat afweek van de normale oriëntatie waarbij het altaar in het oosten staat. De aangetroffen begraving was hoofdzakelijk te situeren binnen de muren van deze kapel en de graven hadden derhalve ook een gelijkaardige afwijkende oriëntatie. De eerste rudimentaire analyse wijst erop dat de kans reëel is dat het allemaal vrouwen zijn, zusters van het klooster, die begraven werden in hun kapel.
Naast de 19 aangetroffen graven van mensen werden ook 9 graven van dieren aangetroffen. Het betreft mogelijk schapen/geiten, paarden en honden of katten. Dat de dieren begraven werden wijst er meestal op dat ze door ziekte waren gestorven en dus niet geschikt waren voor consumptie.
Het voormalige laat-18de eeuwse Klooster van de grauwzusters (te situeren onder de bestaande parking in het noorden) werd niet opgegraven aangezien de resten dieper te situeren zijn dan maximaal te graven diepte. Die maximaal te graven diepte is om problemen met het grondwater te voorkomen. Als gevolg hiervan zijn er nog verschillende resten niet onderzocht en zullen deze dan ook bewaard blijven onder de nieuwe gebouwen van Buur en Berg.
Meer informatie over het vooronderzoek kan u vinden op https://id.erfgoed.net/archeologie/archeologienotas/27069